kometen

Komeet Kometen bestaan uit sneeuw en stof. De meeste kometen komen uit de 'Oort-wolk', een gebied aan de rand van het zonnestelsel. Ook achter de baan van Neptunus ligt een kometenwolk: de Kuipergordel. Sommige kometen hebben banen rond de Zon, waarbij ze dicht langs de Zon scheren. Deze kometen zijn vanaf Aarde vaak schitterend te zien als een bal met een lange staart erachter.

Als de kometen dichter bij de Zon komen, veranderd het ijs in gas en krijgen de kometen een lange staart. Deze staart wijst altijd in de tegenovergestelde richting van de Zon, vanwege de druk van het zonlicht en vanwege de zonnewind. Kometen die uit de Oort-wolk komen zijn vaak niet te voorspellen. De meeste draaien in zulke grote banen rond de Zon, dat ze meer eens in de paar honderd jaar te zien zijn. Hierdoor kan het gebeuren dat een komeet zomaar, bij verassing opduikt uit de Oort-wolk, en de Aarde nadert.

De kometen uit de Kuipergordel hebben meestal kortere omlooptijden, en zijn dus beter te voorspellen. De beroemdste komeet is ongetwijfeld de komeet van Halley, genoemd naar de astronoom Halley, die berekende dat hij eens in de 76 jaar om de Zon draait. Daarom kunnen we vanaf Aarde eens in de 76 jaar de komeet zien. Als kometen door astronomen worden ontdekt, hebben ze vaak nog geen staart, omdat ze nog te ver van de Zon staan. Verder zijn ze vaak nog te zwak om met het blote oog te kunnen zien. Ze worden dan ook vaak ontdekt met behulp van telescopen. De meeste kometen blijven altijd zo, maar een enkeling komt dicht bij de Zon, krijgt daardoor een staart en wordt zeer helder.

Gemiddeld komt er eens in de 5 jaar een heldere komeet voor.